|
|||||||||
| Navigatie Console |
Geschiedenis van de Jacobikerk en toren
VOORGESCHIEDENIS. De parochie Uithuizen zou in de 11e eeuw zijn gesticht en heeft toen ongetwijfeld een kapel of kerk gekregen, waarmee Uithuizen de status van kerkdorp bezat.Het is aannemelijk dat de tegenwoordige tussen ca. 1225 en 1250 gebouwde kerk te Uithuizen een voorganger in tufsteen heeft gehad. De tufsteen, een zachte natuursteen, werd via de grote rivieren aangevoerd uit het Eifelgebergte in Duitsland. Voor het noorden was Deventer een belangrijke overslagplaats,van waaruit verder transport van de steen in kleine scheepjes plaatsvond. Het was een kostbare aangelegenheid. De tufstenen kerkjes waren over het algemeen groter dan hun voorgangers in hout, doch doorgaans kleiner dan de later gebouwde bakstenen kerken. Van de tufstenen kerken is er in de Ommelanden niet één gaaf bewaard gebleven. Wel zijn er in later gebouwdeen verbouwde kerken muurfragmenten uit tufsteen in de nieuwbouw opgenomen; de onderbouw van de Uithuizer toren bestaat uit tufsteen. Tussen 1150 en 1200 werd men ook in het noorden de techniek meester om steen te bakken, in dit geval uit in de omgeving overal aanwezige jonge klei. Er ontstond een een totaal nieuwe bouwstijl: de romano-gotiek in baksteen. Romaans vanwege zijn rondbogen als één der belangrijke kenmerken, gotisch door de spitsbogen, die na 1300 meer en meer toepassing vonden. Een aantal romano-gotische elementen vinden wij terug in de kerk van Uithuizen; een ander deel ging verloren door latere aan- en verbouw. Op deze elementen afgaande kan men ongeveer bepalen dat de kerk tussen 1225 en 1250 moet zijn gebouwd (d.w.z. het schip van drie traveeën). In die tijd overheerste nog de romaase bouwstijl. Er is grond voor een voorzichtige veronderstelling dat de Uithuizer kerk kan zijn gebouwd door of op aanwijzing van het klooster Bloemhof te Wittewierum. De bijzondere verering die Dionysius te Uithuizen ten deel viel, beschreven in de paragraaf over de schutspatroon, lijkt de relatie nog een aksent te geven. Het is vrijwel zeker dat de Aylbada's, Enard, Frouwekegna en "enkelen van matig aanzien" als de opdrachtgevers tot de bouw van de nieuwe kerk moeten worden beschouwd. Of indien niet zij, dan toch hun ouders. Zij hebben hiervoor veel geld op tafel moeten leggen.
DE SCHUTSPATROON. In de christelijke kerk was het al vroeg gewoonte, kerkgebouwen aan een heilige ter bescherming op te dragen, toe te wijden. In deze zinvolle traditie kunnen geestelijke rijkdom en kracht besloten liggen. Pas in 1976 bij het restaureren van het koor kwam er duidelijkheid over de schutspatroon van de Jacobikerk toen in een gewelfveld een heiligenfiguur tevoorschijn kwam, welke gelijkenis toont met die op het zegel uit 1388. Beide kunnen niet anders dan Jacobus bedoelen, al is er dan enig verschil met de gangbare afbeeldingen van de apostel. Bovendien mag niet uit het oog worden verloren, dat de in 1606 opgerichte rooms-katholieke statie Jacobus als schutspatroon aannam, m.a.w.men hield zoals bijna overal aan de traditie vast. Kerk en parochie van Uithuizen werden hoogstwaarschijnlijk reeds in de 11e eeuw aan Jacobus de Meerdere ter bescherming opgedragen. Daaraan hield de parochie vast bij de nieuwbouwtussen 1225 en 1250 en - ten spijt van verdrukking vanaf 1594 - bij de heroprichting van de statie in 1606. Jacobus was zoon van Zebedeüs en één der apostelenvan Jezus Christus (Matth. 10 : 2). Met Johannes en Petrus behoorde hij totde meest bevoorrechte apostelen. Ter onderscheiding van de andere apostel Jacobus, zoon van Alphéüs, wordt hij Jacobus de Meerdere genoemd. In het jaar 44 werd hij onthoofd. Zijn gebeente zou later naar Spanje zijn overgebracht en wordt daar in Santiago de Compostela vereerd. Hij zou als eerste het evangelie in Spanje hebben gepredikt (?) en kreeg vandaar de bijnaam Apostel van Spanje. Volgens een legende zou Jezus Christus zelf hem de pelgrimsstaf in handen hebben gegeven, vergezeld van een opdracht. Jacobus wordt veelal afgebeeld als pelgrim met staf en buidel in de rechterhand en een boek in de linker. Zijn naamdag is 25 juli. EEN UITZONDERLIJK WAPEN.
De vraag is dikwijls gesteld: waarom een meermin op de toren, in het wapen
op de voormalige kleine luidklok, de luifel van het herengestoelte en op
het rouwbord van Unico Allart (I) Alberda van Menkema? Als fabeldier in de
profane kunst heet de sirene of meermin (half vrouw/half vis) immers de
verleiding en ondeugden uit te beelden, kortom de goddeloosheid, en derhalve
het tegengestelde aan de boodschap van de Kerk.
Deze pagina is gebasseerd op Bolt, A (1982).
|
||||||||
|
|||||||||