|
|||||||
| Navigatie Console |
De kerk, het exterieur.
Toen de Uithuizers aan het begin van de 13e eeuw besloten een nieuwe kerk te bouwen zal de omvang daarvan vastgesteld zijn aan de hand van het inwonertal. Uithuizen was in die tijd geen uitzonderlijk groot karspel; verschillende karspels in de omgeving waren even groot of groter. In de trant van het toen gebruikelijke bouwpatroon kwam een kerkgebouw van drie flinke traveeëntot stand. Muurwerk en ornamentuur, bij de jongste restauratie ontdaan van de pleisterlaag, leren, zoals gezegd dat de oorspronkelijke kerk tussen omstreeks 1225 en 1250 moet zijn gebouwd. De traveeën zullen gemarkeerd zijn geweest door zogenoemde lisenen. Deze smalle, sierlijke en rechte beren gaven steunaan de muurpartijen en verleenden het bouwwerk aan de buitenzijde een vertikaal aksent. De binnenwerkse afmetingen van de kerk bedroegen: lengte ca 24 m, breedte 8,25 m, hoogte onder de gewelven ca. 10,25 m en muren van ca. 1 m dik. In deze gedaante, resultaat van de eerste bouwfase, prijkte hetverheven godshuis, dat eenvoudig doch fraai was, gedurende tweehonderd jaartemidden van de lage huisjes uit hout en leem, met hun rieten daken. Omstreeks 1450 ontstond behoefte aan uitbreiding van de kerk met een grotere koorruimte De kerk kreeg een overgangstravee met driezijdige koorsluiting, in hoogte en breedte afgestemd op de bestaande drie schipstraveeën, waardoor een langgerekt, eenbeukig kerkgebouw ontstond. Verschillende bouwnaden in het metselwerk wijzen op de aanbouw. Het is nauwelijks twijfelachtig dattegelijkertijd de gehele kerk onder handen werd genomen. Aan de hogere en bredere gotische vensters in het nieuwe koor werden de smalle en kleine vensters in het schip van de kerk in hoogte en breedte aangepast. De hierdoor verzwakte muurvlakken vroegen om steunberen rond de gehele kerk. Het profiel van dezeversneden steunberen is op diverse plaatsen in de schuine steunberen uit 1794 terug te vinden, terwijl zij nog ongeschonden aan de westzijde van de kerk staan. Al met al was ontegenzeggelijk een rijk geheel verkregen en de tweede bouwfase voltooid. Later kwamen ruimere middelen ter beschikking. De kerk van Uithuizen was rijk geworden, terwijl de economische en maatschappelijke opbloei aan het begin van de 16e eeuw tevens een duit in het zakje deed. Daarin zien wij de aanzet voor de derde bouwfase van de kerk, welke tegen 1550 zijn beslag moet hebben gekregen. Aan de noordzijde verrees in laat-gotische stijl een kapel van inwendig 4,85 x 5,75 m, onder het gewelf 7 m hoog, d.i.ca. 3 m lager dan het schip van de kerk. In elk der drie zijden werd een groot venster aangebracht en in de oostmuur kwam een toegang. Het venster in de noordmuur van de overgang tussen kerkschip en koor metselde men dicht. Tussen 1594 en 1794, dit is vanaf de Reductie, vonden geen grote, externe verbouwingen van de kerk plaats. Maar Uithuizen bleef groeien en het kerkgebouw was te klein om de groeiendebevolking een redelijke plaats te kunnen bieden. Collatoren en kerkvoogden beraamden omstreeks 1790 plannen tot vergroting. Zij luidden hiermee de vierde bouwfase in. Het is de meest ingrijpende verbouwing en uitbreiding geworden die het kerkgebouw ooit ondergaan heeft, ontworpen en in de jaren 1793/'94 uitgevoerd door en onder leiding van bouwmeester Berend Harms van Uithuizermeeden. De uitbreiding van het aantal zitplaatsen werd gevonden in de bouw van een beuk aan de noordzijde van de kerk, aansluitend op tweede en derde schipstravee en de kapel. De hoogte onder de kruisribgewelven van de beuk kwam op 8,50 m. Kapel en zijbeuk kwamen onder één bekapping. De noordmuur van tweede en derde schipstravee werd verwijderd en het grote venster in de westwand van de kapel dichtgezet. De nieuwe zijbeuk kreeg een groot gotisch venster aan de westzijde en twee soortgelijke vensters aan de noordzijde. Schuin versneden steunberen schragen de beuk. In de noordmuur van de kapel bracht men een grote toegangsdeur aan, waartoe het venster dichtgemetseld werd. De toegang in de oostmuur van de kapel werd dichtgezet. Vervolgens zocht Berend Harms naar eenheid in stijl en grootte van alle vensters. Hij verkreeg deze door de vensters in het schip te verbreden en te verhogen, naar het voorbeeld van die in de nieuwe zijbeuk. De afzaten (onderdorpels) van de koorramen werden waarschijnlijk toen ca. 50 cm verlaagd. De totale operatie had een danige verzwakking van de muurvlakken, met name die van de zuidmuur van de kerk en van het koor, tot gevolg. Harms vreesde een nog verder uitwijken van de muren, ten spijt van de trekbalken in het schip vande kerk, die daar om dezelfde reden reeds in 1612 waren aangebracht. Om ditte voorkomen metselde hij over de versneden steunberen uit ca. 1450 aan de zuidzijde van het gebouw en rond het koor zware en schuin aflopende beren in dezelfde steensoort als die van de nieuwe zijbeuk. Aldus verkreeg de Jacobikerk zijn vorm en gedaante zoals wij deze in grote trekken kennen. Gedurende de 19e eeuw werden de gemetselde tussenstijlen in de grote vensters met glas in lood vervangen door uit hout vervaardigde roedeindelingen met eenvoudig vensterglas. Ter weerszijden van de kansel brak men de beide siernissen uit en plaatste daarin vensters voor meer daglichttoetreding op de kansel. Te oordelen naar oude foto' s moeten kerk en toren in de tweede helft van de 19e eeuw een pleisterlaag hebben gekregen; aan het begin van de 20e eeuwvolgde nogmaals bepleistering. Motief hiervoor was meestal om slecht en ruwmetselwerk aan het oog te onttrekken. De heersende smaak zal ook een woordje hebben meegesproken. Deze verdroeg geen strakke en robuste lijnen. Alles moest glad en liefelijk zijn. In dezelfde trant werden woonhuizen bepleisterd. Later (1972-1977) is de bepleistering weer verwijderd. De Jacobikerk te Uithuizen heeft een bewogen bouwgeschiedenis achter de rug. De diverse delen verradenzeer verschillende bouwtijden en -stijlen. Desniettegenstaande is een eenheid ontstaan die monumentaal mag heten. De restauratie van 1972-1977 stelde alsuitgangspunt om zoveel mogelijk te sparen en conserveren wat door de eeuwenheen ontstond. In dit licht bezien moet men er vrede mee hebben, dat de schuin aflopende steunberen aan de zuidzijde van de kerk en de houten vensterindelingen in stand bleven. De restauratie is vakkundig en fraai uitgevoerd.
Later volgt nog een pagina met informatie over het interieur van de kerk. Deze pagina is gebasseerd op Bolt, A (1982).
|
||||||
|
|||||||